28. apr, 2015

Een mus is een vogel, maar een vogel is geen mus.

Vaak word er gevraagd hoe gaat het met je. Vreemd genoeg is de ervaring waarneer je  dit heb gedeeld er soms enkele voorbeelden worden aangedragen als, ik heb of herken dat ook, ...... dus maak je maar geen zorgen.

Op de dagopvang hebben we onderling het er wel eens over hoe mensen naar je luisteren. Zo horen problemen met het geheugen bij dementie, maar wie geheugenproblemen heeft hoeft helemaal niet dement te zijn. En dat klopt, maar hierbij nog even wat verschillen.

Dementie kent een aantal problemen, en van de problemen op het cognitieve vlak (het denken) zijn geheugenproblemen zeer kenmerkend. Maar het gaat dan om ernstige en langdurige geheugenstoornissen. Dus niet om een enkele keer geen telefoonnummer te kunnen onthouden, pincode vergeten, niet op een naam kunnen komen. Het niet meer weten hoe de afstandsbediening van de televisie werkt , hoeft geen aanwijzing voor dementie te zijn.

Naast geheugenstoornissen zijn er vier andere kenmerkende verschijnselen binnen het cognitieve gebied die noodzakelijk zijn om met meer zekerheid de diagnose dementie te kunnen stellen.

Deze vier gebieden zijn:

– De executieve functies. Daarmee bedoelen we het kunnen plannen en organiseren. Ik noem dat ook wel eens de ‘gedragspatronen’.  Het opstaan (wekker, uit bed, uitkleden, wassen, aankleden) is zo’n gedragspatroon. Het omvat een lange reeks van handelingen die in de goede volgorde gedaan moeten worden. Als je nagaat wat je ‘s morgens allemaal moet doen is dat een topprestatie. Mensen die dementeren kunnen zulke lange ‘patronen’ niet voor elkaar krijgen. Ze blijven steken, hanteren de verkeerde volgorde, verzanden in ‘herhaalgedrag’.

– Apraxie. Dit is het verschijnsel dat mensen niet meer weten hoe ze bepaalde handelingen moeten verrichten. Ze hebben bijvoorbeeld geen idee meer hoe ze de knopen van een overhemd vast moeten doen. Dat is niet iets eenmaligs, het is ook niet beperkt tot één terrein, maar je ziet die apraxie op allerlei momenten van de dag, gedurende heel verschillende handelingen. Dat ik mijn telefoon niet meer begreep is een soort mini-apraxie, de rest van de handelingen gedurende die dag kon ik nog gewoon uitvoeren.

– Afasie. Stoornissen in het verwerken van de taal. De eigen taal komt af en toe als chinees over. Het kan ook zo zijn dat woorden verkeerd gebruikt worden. “Mag ik de bruine bonen?” vraagt meneer de Vries. Hij bedoelt de suiker. Het niet op woorden kunnen komen is geen kenmerk van afasie. Dan zit je vlak bij het woord, maar je kunt er niet op komen. Bij afasie ben je het woord echt kwijt.

– Agnosie. Het niet meer herkennen van dingen of personen die je ziet (visuele agnosie) of die je hoort (auditieve agnosie). Bijvoorbeeld: je hoort de telefoon gaan, maar je hebt geen idee meer wat de bedoeling van dat geluid is, je neemt dus ook de telefoon niet meer op. Bij visuele agnosie zie je de telefoon wel liggen, maar je hebt geen idee wat voor voorwerp het is. Een triest voorbeeld van visuele agnosie is als mensen niet meer herkend worden. "De man die zijn vrouw niet herkent" of "zijn vrouw zelfs niet meer als vrouw ziet "(apperceptieve agnosie).

Van uit deze voorbeelden blijkt maar weer hoe moeilijk is om de juiste diagnose te stellen tussen vergeten of "vergeten".  Eén generatie geleden haalden de meeste mensen de 70 jaar niet, nu wonen in nederland zo’n 120.000 mensen van 90 jaar of ouder (30.000 mannen, 90.000 vrouwen). Ruim 2000 mensen zijn 100 jaar of ouder.  

Maar laten we het maar weer snel "vergeten". Ik heb het weer even van me af geschreven.